De dode stad (première)
Met de roman *Das tote Brügge* bracht de Belgische symbolist Georges Rodenbach in 1892 een bestseller van het fin de siècle uit: Door parallellen te trekken met de eens zo bloeiende en nu in agonie vervallen Vlaamse handelsstad, vertelt hij het verhaal van de jonge weduwnaar Paul, die zich emotioneel zo sterk vastklampt aan het gelukkige verleden en zijn overleden vrouw, dat hij zelfs gelooft in haar terugkeer in de gedaante van een andere vrouw. Hij laat zich in een affaire meeslepen die uitmondt in een surrealistische, traumatische ervaring – en hem daardoor bevrijdt van zijn mentale obsessie.
Velen, waaronder Arthur Schnitzler en Alfred Hitchcock, lieten zich inspireren door dit verhaal, waarvan de operabewerking de 23-jarige Weense Erich Wolfgang Korngold in 1920 van de ene op de andere dag tot een ster maakte; Puccini zag hem als „de grootste hoop van de nieuwe Duitse muziek“. In de handeling is de verwantschap met het gedachtegoed van Sigmund Freud onmiskenbaar: „De doden sturen zulke dromen als we te veel met en in hen leven”, beseft de hoofdpersoon, voor wie deze (nachtmerrie)droom gelukkig eindigt met een – zoals ook de oorspronkelijke titel van de opera luidt – „triomf van het leven”.